Explosiebeveiliging

Signaleringsinrichtingen in zones met ontploffingsgevaar

Voorkomen van explosies - explosiebeveiliging

Nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen is noodzakelijk om de veiligheid in explosiegevaarlijke zones te waarborgen. Daarom is het van essentieel belang dat fabrikanten, exploitanten, testinstituten en toezichthoudende instanties samenwerken.

Om explosies te voorkomen moeten drie soorten explosiebeveiliging in aanmerking worden genomen:

  • Primaire explosiebeveiliging
    Primaire explosiebeveiliging voorkomt het ontstaan van een potentieel explosieve atmosfeer, bijvoorbeeld door voldoende ventilatie.
  • Secundaire explosiebeveiliging
    Wanneer het ontstaan van een explosiegevaarlijke atmosfeer niet door een primaire explosiebeveiliging kan worden verhinderd, moeten secundaire explosiemaatregelen worden getroffen om ontstekingsbronnen uit te sluiten. WERMA levert hiervoor veilige signaleringsinrichtingen, die geen ontstekingsbronnen kunnen worden.
  • Tertiaire explosiebeveiliging
    Een tertiaire explosiebeveiliging wordt toegepast wanneer de exploitant van een installatie de aanwezigheid van potentiële ontstekingsbronnen niet volledig kan vermijden. In dergelijke gevallen moeten de gevolgen voor de omgeving zodanig worden beperkt dat zij niet gevaarlijk zijn.

Taken van de operator/installateur

Explosionsschutz

De exploitant van een installatie, of de installateur in opdracht van de exploitant, moet eerst zoveel mogelijk gebruik maken van alle mogelijke maatregelen ter bescherming tegen primaire explosiegevaar. De overblijvende explosiegevaarlijke zones moeten op hun potentiële risico's worden beoordeeld. Dit houdt in dat het gebied in zones wordt verdeeld, de explosiegroep wordt bepaald en de maximaal toelaatbare oppervlaktetemperatuur wordt vastgesteld.

Plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen - Zone-indeling

Plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen, worden overeenkomstig EG-Richtlijn 1999/92/EG in zones ingedeeld.
Om een basis te verschaffen voor de beoordeling van de noodzakelijke omvang van beschermingsmaatregelen, moet de exploitant de gebieden met explosiegevaar in zones verdelen naargelang van de waarschijnlijkheid van de ontwikkeling van een gevaarlijke, potentieel explosieve atmosfeer.

Ruimten die explosief kunnen zijn door brandbare gassen, dampen of nevels:

 

  • Zone 0
    Ruimten waarin een potentieel explosieve atmosfeer van gassen, dampen of nevels voortdurend, gedurende langere perioden of vaak aanwezig is.
  • Zone 1
    Ruimten waarin af en toe een explosieve atmosfeer van gassen, dampen of nevels aanwezig kan zijn.
  • Zone 2
    Ruimten waarin normaal gesproken geen explosieve atmosfeer van gassen, dampen of nevels aanwezig is, en indien dit toch het geval is, dan slechts zelden en voor korte tijd.

Plaatsen die explosief kunnen zijn door brandbaar stof:

  • Zone 20
    Gebieden waar een potentieel explosieve stofatmosfeer voortdurend, gedurende langere perioden of vaak aanwezig is.
  • Zone 21
    Gebieden waar af en toe een potentieel explosieve stofatmosfeer aanwezig is.
  • Zone 22
    Ruimten waar normaal gesproken geen explosieve stofatmosfeer aanwezig is; en als deze toch aanwezig is, dan slechts zelden en voor een korte periode.

Explosiegroepen van gassen, dampen en stof

De explosiegroep wordt bepaald aan de hand van de potentieel explosieve stoffen en hun ontvlambaarheid:

Area Explosion group Combustible substances Ignitability
Mining I Pit gas, (methane), coal dust  
Gas IIA Acetone, petrol, methanol, propane, toluene Less high
IIB Ethylene, town gas High
IIC Hydrogen, acetylene, carbon disulphide Very high
Dust IIIA Combustible lint Less high
IIIB Non-conductive dust High
IIIC Conductive dust Very high

Alle signaleringsinrichtingen van WERMA zijn getest voor gebruik in de hoogste explosiegroep IIC of IIIC, wat betekent dat ze geschikt zijn voor alle explosiegroepen in het betreffende gebied.

Oppervlakte temperatuur

De ontstekingstemperatuur van de ontplofbare stoffen is bepalend voor de maximaal toelaatbare oppervlaktetemperatuur van het bedrijfsmiddel. Het tegen explosie beschermde apparaat moet zodanig zijn ontworpen dat de oppervlaktetemperatuur ervan geen ontsteking kan veroorzaken.

Ontstekingstemperaturen en temperatuurklassen van explosieve gas- en dampatmosferen

Temperature class Ignition temperature of the potentially explosive gas/vapour atmosphere Permissible surface temperature of the operating equipment
T1 ≥ 450°C ≤ 450 °C
T2 ≥ 450 … ≤ 300 °C ≤ 300 °C
T3 ≥ 300 … ≤ 200 °C ≤ 200 °C
T4 ≥ 200 … ≤ 135 °C ≤ 135 °C
T5 ≥ 135 … ≤ 100 °C ≤ 100 °C
T6 ≥ 100 … ≤ 85 °C ≤ 85 °C

Voor stof is er geen indeling in temperatuurklassen. In plaats daarvan wordt de maximaal toelaatbare oppervlaktetemperatuur in °C aangegeven.

WERMA biedt voor de verschillende temperatuurklassen voor gassen en dampen, en voor de maximale oppervlaktetemperaturen, verschillende signaleringsinrichtingen aan.

Apparaatcategorieën en EPL-beschermingsniveau

De ATEX-richtlijn verdeelt bedrijfsapparatuur in apparaatgroep II in 6 apparaatcategorieën. De IEC-normen en EN-normen verdelen de apparaten in 6 EPL's (Equipment Protection Levels). Apparaatcategorieën en EPL's hebben dezelfde betekenis en geven de zones aan waarin het apparaat mag worden gebruikt.

Substance group Gas Dust
Device category 1G 2G 3G 1D 2D 3D
EPL protection level Ga Gb Gc Da Db Dc
Suitable for zones 0,1,2 1,2 2 20,21,22 21,22 22

Verplichtingen van de fabrikant

De fabrikant van apparaten voor gebieden waar ontploffingsgevaar kan heersen, is verplicht overeenkomstig EG-Richtlijn 94/9/EG een etiket op het apparaat aan te brengen waarop voor de gebruiker is aangegeven op welke soorten locaties het apparaat mag worden gebruikt. Dit wordt informeel ook wel de ATEX-richtlijn genoemd.

De bedrijfsapparatuur moet voldoen aan alle relevante eisen voor het aanbrengen van de CE-markering en getest zijn door een erkend, onafhankelijk testinstituut. Apparaatcategorie 3 valt hier niet onder.

Dit wordt bevestigd door het EG-typebeproevingscertificaat. De fabrikant moet ook een geschikt kwaliteitsborgingssysteem hebben, dat moet worden gecontroleerd door middel van een EG-certificaat.

Etikettering van explosieveilig materieel

Deze etikettering wordt gespecificeerd in de desbetreffende normenreeksen en in EG-Richtlijn 94/9/EG. Als gevolg van diverse wijzigingen die de laatste jaren in de normen zijn aangebracht, is de etikettering herhaaldelijk gewijzigd. Aangezien voor aanpassingen van de etikettering tests moeten worden uitgevoerd door het testinstituut, kunnen deze alleen geleidelijk worden bijgewerkt. Bijgevolg is het mogelijk dat apparaten niet overeenstemmen met de meest recente etiketteringsnormen. Hun geschiktheid voor gebruik in een explosiebeveiligd gebied wordt hierdoor echter niet beïnvloed.

In het geval van apparaten die worden gebruikt in gebieden met ontploffingsgas en met ontploffingsstof, is er in beide gevallen een aparte identificatielijn.